Een helpende hand

Een verhaal over een situatie een aantal jaren geleden.

Vandaag is het eerste paasdag. Gisteren ben ik samen met mijn dochter met de trein naar mijn ouders gegaan, zodat we vandaag met elkaar Pasen kunnen vieren. Met zulke feestdagen zijn we vaak als familie bij elkaar. Dit jaar zijn mijn beide broers toevallig allebei een weekend met het gezin een weekendje weg. Mijn zusje komt vanmiddag met haar gezin bij mijn ouders, het is nu nog rustig.

Wij zijn een familie die niet zo goed stil kan zitten. Ja, op mijn dochter na dan, die vindt het leuker om te knutselen. Gelukkig is ze inmiddels oud genoeg om alleen thuis te zijn, dus kan ik met mijn ouders even een rondje lopen door het dorp waar ik ben opgegroeid. Nadat we door een verlaten winkelcentrum zijn gelopen, komen we langs de oude begraafplaats. Mijn moeder blijft staan en kijkt eens naar al die graven. “Wat een prachtige en serene plek is dit toch, vooral zo met Pasen. Kunnen we niet even een rondje over de begraafplaats maken?”, stelt mijn moeder voor. Natuurlijk kan dat.

Gebroederlijk lopen we langs de oude graven, herinneringen aan mensen die al een tijd geleden zijn overleden. Familiegraven, kindergraven en doodgeborenen. Langs graven die er nog heel netjes verzorgd uitzien en graven waarvan maar weinig meer over is. Toch staat elk plekje symbool voor een leven die er niet meer is. Mijn vader praat niet graag over de dood, maar met mijn moeder kan ik daar wel over praten. Want ook mijn ouders worden steeds een beetje ouder. Vanzelfsprekend hoop ik ze nog lang in ons leven te hebben, toch vind ik het belangrijk om te weten wat hun wensen zijn voor als zij er straks niet meer zijn en wij voor een van hen een uitvaart moeten organiseren en een blijvende herinnering mogen creëren. Die blijvende herinnering zal trouwens niet hier zijn, mijn ouders hebben al een plaats op een natuurbegraafplaats gereserveerd.

Terwijl wij zo over de dood zitten te mijmeren, zie ik dat er bij de ingang van de begraafplaats een man staat die naar ons kijkt. Ik krijg het akelige gevoel dat die man ons in de gaten houdt. Doen wij iets wat niet mag? Ach, volgens mij niet. We lopen verder en maken ons rondje af. De man bij de ingang blijft naar ons kijken, brrr, ik krijg er de kriebels van. Maar waar ik in eerste instantie dacht dat hij ons in de gaten hield, blijkt dat niet zo te zijn wanneer we dichterbij komen. De man staat ineengedoken. En hoe dichterbij we komen, hoe zekerder ik weet dat die man het ontzettend moeilijk heeft. Hij huilt. Met zijn hand voor de mond komen de geluiden van verdriet ons tegemoet. Ik heb met de man te doen. Om zo alleen je verdriet te moeten dragen is heel naar, helemaal met Pasen.

Ik besluit om naar de man toe te stappen.
“Gaat het?”, vraag ik hem.
“Huh, oh sorry, umh, jawel”, zegt de man. Maar ik kan zien dat het niet zo is.
“Wat naar om je zo verdrietig te zien. Zou je het fijn vinden als ik even bij je blijf zodat je iemand hebt om tegen te praten, om je verdriet mee te delen?”
“Nee, hoor, dat is niet nodig”, geeft de man aan.
“Weet je het zeker?”, vraag ik nog, maar de man knikt. Ik besluit om mijn aanwezigheid maar niet op te dringen en we lopen door, de man met al zijn verdriet achter ons latend.
De rest van de dag blijf ik me afvragen of ik niet meer voor die man had kunnen betekenen, had ik niet gewoon een arm om hem heen moeten slaan bijvoorbeeld. Ik heb in het verleden ook diepe dalen gekend, ik weet uit ervaring hoe zwaar het leven kan zijn en hoe eenzaam je je dan kunt voelen. Maar goed, ik kan er nu niets meer aan doen.

Gelukkig hebben we verder een hele fijne eerste paasdag. Met mijn zusje erbij is het helemaal gezellig. Of vooral door de aanwezigheid van haar zoontje die nog geen jaar oud is. En na een heerlijk paasdiner wordt het voor ons weer tijd om de trein te pakken, om weer naar huis te gaan.

Het is leuk om weer eens met de trein te gaan. Zelf niet op het verkeer te hoeven letten, het gezellig te kunnen hebben met mijn dochter en heerlijk naar buiten te kunnen staren, naar een landschap dat voorbij zoeft. Er zitten meer mensen in de trein, allemaal mensen die waarschijnlijk ook ergens anders Pasen hebben gevierd. In het zitje aan de andere kant van het gangpad zit een oudere man met een hond. Hij heeft een kleedje op de bank gelegd, zodat de hond naast hem kan zitten. Het ziet er knus uit.
“Sorry, mag ik wat vragen?”, zegt hij opeens en hij kijkt ons aan. “Is dit de trein naar Assen?”
“Zeker”, stel ik hem gerust, “deze trein komt ook langs Assen.”
“Fijn”, zegt de man en hij kijkt weer naar buiten.
Maar al snel remt de trein opeens af en staan we stil op het spoor. “We hebben even wat vertraging door politie inzet op het spoor”, klinkt het door het omroepsysteem van de trein. “We hopen zo snel mogelijk de reis te kunnen vervolgen. Excuses voor het ongemak.”

De oude man kijkt verschrikt om zich heen. Dan ziet hij ons weer zitten. “Dit is toch wel de trein naar Assen?”, vraagt hij onzeker.
“Zeker”, stel ik hem gerust.
Gelukkig begint de trein na en paar minuten weer te rijden. Niet veel later komt de conducteur langs.
“Wat was dat nou allemaal?”, vraag ik nieuwsgierig.
“Er zat een verwarde man in de trein voor ons”, vertelt hij. “Hij zorgde voor zoveel overlast dat hij door de politie uit de trein is gehaald. Daarom moesten we even wachten.”

Ook het kaartje van de oude man wordt gecontroleerd.
“Is dit de trein naar Assen?”, vraagt hij nu aan de conducteur.
“Zeker, deze trein komt ook langs Assen”, zegt de conducteur.
De volgende tien minuten vraagt de man nog drie keer aan ons of dit de trein naar Assen is. De man maakt niet alleen een onzekere indruk op mij, maar ook een verwarde indruk. Veel tijd om erover na te denken heb ik niet meer, wij zijn aangekomen op het station van Hoogeveen en we moeten eruit. Ik kijk de oude man nog even aan en zeg hem dat twee stations verderop het station van Assen is, dat hij er dan uit moet. Hij knikt me dankbaar toe.

Wanneer mijn dochter op bed ligt en er weer rust is in huis, overdenk ik de dag. Weer slaat de twijfel toe of ik niet meer had moeten en kunnen doen voor de man op de begraafplaats. Ook merk ik dat ik me nu zorgen maak over de man in de trein. Had ik niet in gesprek moeten gaan met de man om te kijken of het wel goed met hem ging. Misschien had de man wel dementie of was er wat anders aan de hand wat zijn verwardheid had kunnen verklaren. Ik heb op één dag meerdere keren een helpende hand geboden aan iemand die dat nodig hda, toch worstel ik met de vraag of ik die hand ver genoeg uitgestoken heb.



Inmiddels zijn we jaren verder. Bijzonder dat ik toen juist met Pasen zoveel mensen was tegengekomen waar het niet goed mee leek te gaan. De paasboodschap is een boodschap van hoop, vrede en een nieuw begin, die uitnodigt om licht te zien in donkere tijden. Ik baal ervan dat ik niet het lichtje ben geweest voor deze mensen. Vandaag is het weer Pasen. Het aantal verwarde mensen is al jaren ontzettend groot. Ook vandaag ga ik ongetwijfeld naar buiten. Mocht ik vandaag of op andere momenten mensen tegenkomen waar het niet goed mee lijkt te gaan, hoop ik er voor deze mensen te kunnen zijn. Blijf omkijken naar elkaar, blijf voor elkaar zorgen. Want wie weet ben jij diegene die op een dag een arm om zich heen nodig heeft, hoe fijn zou het zijn om die dan te krijgen.


Fijne Pasen!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *